![]() Jaap en Jiro en het raadsel van de rode knop
Jaap zit ‘s morgens al heel vroeg aan het ontbijt en schrokt zijn boterham naar binnen. Nog met z’n mond vol roept hij “dag mam, dag Janna” en weg is Jaap. Buiten trekt hij al rennend zijn jas aan.
Jaap heeft zo’n haast omdat hij als eerste op het nieuwe plein wil zijn, het plein bij de scholen. Nergens in de hele stad is er zo’n supercool plein. Er is voor iedereen wat te doen, voor de hele kleintjes en zelfs voor grote mensen. Oom Jim gaat er wel eens voetballen. Dan mag Jaap in het doel. Maar nu wil Jaap snel naar de Istation. Gelukkig! Als Jaap het plein op komt rennen, ziet hij nog niemand. Hij is de eerste, hij is dus op tijd. Jaap houdt zijn Icard voor de Istation en logt in. Dat heeft hij op school geleerd. Het scherm floept aan. “Hallo Jaap, wat wil je spelen?” leest Jaap op het scherm. Hij kiest zijn spel. “Met wie wil je spelen?” Met wie? Dat weet Jaap eigenlijk niet. Hij kijkt in de lijst en drukt zo maar wat: Janet, Johnny, Jiro. Een kwartier later heeft Jaap een kop als een biet. Hij heeft het bloedheet en zijn jas ligt op de grond, naast de Istation. Jaap heeft 79 punten, maar toch staat hij achter. Op het scherm ziet hij dat Jiro al 93 punten heeft. Jaap is met dit spel altijd de beste van de klas. Hij moet ook van Jiro winnen! Dus rent Jaap nog harder en springt hij nog verder. Hij wordt er zelfs wat duizelig van – maar nu staat hij bijna gelijk! Nog een rondje, heel hard, snel op de rode knop drukken…
Jaap doet zijn ogen open. Iemand geeft hem water te drinken uit een plastic flesje. Iemand zegt wat tegen hem. Maar Jaap verstaat er niks van. Jiro – dat is het enige wat hem bekend in de oren klinkt. Met Jiro speelde hij het spel, van Jiro heeft hij toch gewonnen? Jaap gaat rechtop zitten en kijkt om zich heen. Hij is op een schoolplein, dat wel. Maar het is niet het plein van Stroinkslanden. Yokohama! Er spelen allemaal Chinese kinderen die allemaal dezelfde kleren aan hebben; de jongens een witte bloes en een blauwe broek, de meisjes een witte bloes met blauwe rok. Ze hebben allemaal zwarte haren. Dan ziet Jaap een vlag bij de school, een witte vlag met een grote rode stip in het midden. Dit is niet China, dit is Japan! Hij kijkt naar de jongen die Jiro heet en wijst op de vlag. “Hai, hai” knikt Jiro.“Yokohama, Nippon.” Jaap is met de Istation in Japan beland!
Even later zitten Jaap en Jiro aan een laag tafeltje bij Jiro thuis. Ze zitten op de grond. Jaap moest zijn schoenen uittrekken bij de deur. Hij krijgt een grote kom rijst met kip en groente van Jiro’s moeder. Mensen eten met stokjes in Japan, dat weet Jaap wel, maar nu moet hij zelf ook. Jiro en Jiro’s moeder moeten erg lachen omdat Jaap zo zit te knoeien. Het lijkt of Jaap al een week in Japan is en Jiro is zijn beste vriend. Ze spelen op het plein, en Jiro heeft hem meegenomen naar de haven van Yokohama, waar ze samen hebben gekeken naar de grote zeeschepen. Jaap kan al heel goed met stokjes eten. Hij vindt het fijn in Japan. Hij kan ook harikatô zeggen, dat betekent dank je wel, en hij kan net zo beleefd als Jiro buigen voor de juf op school. Maar eigenlijk wil hij nu wel weer naar huis. Naar zijn moeder, en zijn zusje en naar Oom Jim. Maar hoe komt hij weer terug? Geld voor zo’n grote reis heeft hij niet. Dan weet hij het. Hij moet terug op dezelfde manier als hij is gekomen. In alle vroegte pakt hij het inlogkaartje voor de Istation uit Jiro’s broekzak, en verlaat heel stilletjes het huis. Hij voelt zich verdrietig om zomaar weg te gaan, maar zijn besluit staat vast. Jaap logt in met Jiro’s kaartje. Hij kiest de taal: Nederlands. Hij kiest zijn spel. “Met wie wil je spelen?” leest hij op het scherm. Janet, Johnny, Jaap. Jaap drukt op zijn eigen naam. En begint te rennen. Jaap rent en rent en rent. Naar ieder rondje drukt hij op de rode knop. Nog nooit heeft hij zo veel punten gehaald, hij staat al dik over de honderd. Wordt de rode knop al groter als hij aan komt rennen? Gaat de knop al een beetje gloeien? Nee, nog steeds niet. Jaap is bijna de moed aan het verliezen. Wat als hij nooit meer terug komt op het plein in Stroinkslanden? Dan moet hij altijd in Japan blijven, en ziet hij zijn moeder nooit weer. Wanhopig rent Jaap door. Tot hij echt niet meer kan, even moet gaan zitten, en dan…… En dan hoort hij het weer, heel zachtjes, heel zwak: het geluid van de Adventure Tracker van Oom Jim. “Wat denk je dat je aan het doen bent, jongen”, zegt Oom Jim boos. “Rennen is goed, maar rennen tot je er bij neervalt is stom.” “Ja, maar Oom Jim”, zegt Jaap, “ik was in Yokohama, in Japan, en ik moest rennen om hier terug te komen en Jiro”…. Plotseling moet Jaap huilen. Want hij heeft geen afscheid genomen van Jiro en geen harikatô gezegd tegen Jiro’s moeder. “Moet nog harikatô zeggen” snikt Jaap. Nu is Oom Jim erg ongerust. Want Jaap praat wartaal. Oom Jim pakt Jaap op en draagt hem als een kleine jongen naar huis. “Blijf jij maar eens een dagje in je bed”, zegt Oom Jim. “Volgens mij ben je op je hoofd gevallen.”
“O ja, o ja”, sputtert Jaap. Waarom gelooft Oom Jim hem nou niet? Hij staat hem gewoon uit te lachen. “Heb je je portemonnee in je zak? Dan zal je zien dat ik in Japan was”. Jaap fietst voorop, en tien minuten later lopen Jaap en Jim een Chinees restaurant binnen. “Twee kommen rijst met kip” bestelt Jaap. “Met stokjes”. Terwijl Oom Jim geen hap naar binnen krijgt, eet Jaap zijn rijst zonder een korreltje te morsen. Oom Jim kijkt hem vol verbazing aan. |